Er was eens een jonge prins die overal in geloofde op drie dingen na. Hij geloofde niet in prinsessen, niet in eilanden en niet in God. Zijn vader, de koning, had gezegd dat die dingen niet bestonden. En aangezien er in het rijk van zijn vader geen prinsessen of eilanden waren, en er geen spoor van God te bekennen viel, geloofde de jonge prins zijn vader.

Maar op een dag liep de prins uit zijn vaders paleis. Hij kwam in het buurland terecht. Vanaf de kust zag hij daar tot zijn stomme verbazing overal eilanden liggen met daarop wonderlijke, verontrustende schepsels, die hij niet nader met name durfde te noemen. Terwijl hij op zoek was naar een boot, kwam hem langs de kust een man in rokkostuum tegemoet.

‘Zijn dat echte eilanden? vroeg de jonge prins.
‘Natuurlijk,’ zei de man in avondtoilet.
‘En die wonderlijke, verwarrende schepsels dan?’
‘Dat zijn allemaal, onvervalste prinsessen.’
‘Dan bestaat God dus ook!’ riep de prins.
‘Ik ben God,’ antwoordde de man in rok met een buiging.

De jonge prins keerde zo vlug als hij kon naar huis terug.

‘Zo, ben je daar weer?’ vroeg zijn vader de koning.
‘Ik heb eilanden, prinsessen en God gezien,’ zei de prins verwijtend.

De koning bleef onbewogen.

‘Er bestaan geen echte eilanden, geen echte prinsessen, en ook geen echte God.’
‘Maar ik heb ze met mijn eigen ogen gezien!’
‘Vertel me ineens hoe God eruitzag.’
‘God was in rok.’
‘Waren de mouwen van zijn rokkostuum opgerold?’

De prins herinnerde zich dat dat inderdaad het geval was geweest. De koning glimlachte.

‘Dat is de dracht van een tovenaar. Je bent voor de mal gehouden.’

Daarop keerde de prins terug naar het buurland en ging weer naar dezelfde kust, waar hij de man in rok opnieuw tegen het lijf liep.

‘Mijn vader, de koning, heeft mij verteld wie u bent,’ zei de jonge prins verontwaardigd. ‘Ik heb mij de vorige keer door u in de maling laten nemen, maar dat overkomt me niet nog eens. Nu weet ik dat er geen echte eilanden en geen echte prinsessen bestaan, want u bent een tovenaar.’

De man glimlachte.

‘Jij bent in de maling genomen, mijn jongen. In het rijk van je vader bevinden zich vele eilanden en vele prinsessen. Maar jij bent door je vader betoverd, zodat je ze niet kunt zien.’

De prins keerde in gedachten verzonken terug. Toen hij zijn vader zag, keek hij hem recht in de ogen.

‘Vader, is het waar dat u geen koning bent, maar slechts een tovenaar?’

De koning glimlachte en rolde zijn mouwen op.

‘Ja, mijn zoon, ik ben slechts een tovenaar.’
‘Dan was die man aan de kust dus toch God.’
‘De man aan de kust was ook een tovenaar.’
‘Ik moet de waarheid weten, de waarheid buiten alle tovenarij om.’
‘Er bestaat geen waarheid buiten tovenarij om,’ zei de koning.

De prins was vervuld van droefheid.

Hij zei: ‘Ik zal mij van het leven beroven.’

De koning riep met zijn toverkunst de Dood op. De Dood stond in de deuropening en wenkte de prins.

De prins huiverde. Hij dacht aan de prachtige, maar onechte eilanden en de onechte, maar prachtige prinsessen.

‘Nou, goed,’ zei hij. ‘Ik kan het wel aan.’
‘Zie je wel, mijn zoon, dat je op het punt staat om zelf een tovenaar te worden,’ zei de koning.

John Fowles…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s