Joden in de klassieke oudheid

De eerste geschreven verhalen over joden in de geschiedenis komen hoofdzakelijk uit het vroegere Palestina, dat toen Kanaän heette.

Vanuit de joodse traditie, de Heilige Geschriften dus, stammen joden af van de oude Israëlieten en die weer van Hebreeërs, die in het land Israël regeerden. De binding tussen de Israëlieten was dat ze een gemeenschappelijke stamvader hadden, Abraham. De vader van Isaak en de grootvader van Jacob, die Israël ging heten.

En ook wordt er gesteld dat Israëlieten de nakomelingen van 12 zonen waren van Jacob die zich in Egypte vestigden. Hun directe nakomelingen verdeelden zich in 12 stammen die onder de Farao dienden. In het joodse geloof drukt de uittocht van Israëlieten uit Egypte naar Kanaän een zware stempel in het doen ontstaan van Israëlieten als volk.

Belangrijk om te weten: Er is helemaal geen bewijs dat de Israëlieten in Egypte hebben gezeten. Historisch niet en archeologisch ook niet.

Maar het verhaal gaat verder: Na 40 jaar trekken door de woestijn kwamen de Israëlieten aan in Kanaän en veroverden het onder aanvoering van Jozua en het land werd onder de 12 stammen verdeeld. Voor ongeveer 200 jaar in de ijzertijd vormden de 12 stammen geen staatkundige eenheid en leefden als nomaden. Maar in geval van nood waren ze er wel voor elkaar. Ze hadden wel eens strijd met de Filistijnen en dan staat er tijdelijk een sterke man op, zoals Simson en Gideon.

Na deze periode werd het Israëlitische koninkrijk opgericht onder koning Saul, die werd opgevolgd door koning David en die weer door koning Salomo. Koning David veroverde Jeruzalem en maakte het tot zijn persoonlijk en hoofdstad van zijn koninkrijk.

Na Salomo raakte de natie verdeeld in 2 koninkrijken, Israël bestaande uit 10 stammen in het noorden met Samaria als hoofdstad en Juda, 2 stammen in het zuiden. En het kwam niet meer goed.

Het koninkrijk Israël werd veroverd door de Assyrische heerser Salmanasser V in 800 voor Christus. De elite zoals rijken, priesters en leiders werden afgevoerd in ballingschap en slavernij en keerden nooit meer terug. Herbevolking vond plaats met kolonisten uit andere gebieden om de verzetsgeest te breken.

Het koninkrijk Juda werd veroverd door het Babylonische leger ongeveer begin 600 voor Christus. De Judaëse elite werd verbannen naar Babylon en later keerde een deel van hen terug naar het geboorteland, geleid door Ezra en Nehemia. En de verdeeldheid onder de Israëlieten werd hier niet minder door, in tegendeel. Om politieke- en religieuze verschillen van inzichten.

Nadat Alexander de Grote rond 330 voor Christus de Perzen had verslagen, kwam Juda onder Griekse overheersing. Onder de Ptolemaeën en later onder de Seleuciden. Juda werd in deze tijd een tempelstaatje bestuurd door een hoge priester. Priesters kwamen ook uit families en wat families ook in die tijd deden was rivaliseren. Nog steeds verdeeldheid dus en ondertussen werd een groot deel van de joden Grieks. Namen de Griekse cultuur over en gingen zelfs Griekse namen dragen. Dat werd ook een grote tegenstelling tussen joden onderling: Griekse joden versus godsdienstige joden. Dat ging zover dat de Seleucidische koning Antiochus IV Epiphanes ertoe besloot om bepaalde joodse godsdienstige rituelen en tradities te verbieden. Dit leidde tot opstand onder leiding van de Hasmoneese familie en zou leiden tot onafhankelijkheid. Een nieuw joods koninkrijk werd geboren dat bekend ging staan onder de  naam de Hasmoneese Dynastie.

De Hasmoneese Dynastie hield ongeveer 100 jaar stand. Werd omver geworpen als resultaat van een bloedige burgeroorlog tussen machtige families. De Romeinen die ondertussen het Seleucidische Rijk hadden overgenomen en tot vazalstaat gemaakt, grepen in. Degenen die niet onder de Romeinse koning wilde leven maar eerder onder een hoge priester kregen het met de Romeinse autoriteiten aan de stok. Een Romeinse campagne van volledige verovering en annexatie onder leiding van Pompeius zou kort daarna volgen.

Vanaf 63 voor Christus was Judea een Romeins vazalstaatje. Er werden diverse pogingen gewaagd om de joodse staat weer onafhankelijk te krijgen maar dat mislukte op een gegeven moment definitief. De Romeinen benoemden de Idumeeër Herodus de Grote tot Koning der Joden. Niet echt geliefd onder de joden want hij regeerde met harde hand. Na zijn dood in 4 voor Christus werd het rijk onder zijn zonen verdeeld. Judea, Galilea, Samaria, Idumea, Perea en gebieden ten noord oosten van het Meer van Tiberias werden in de tientallen jaren daarna bestuurd door de nakomelingen van koning Herodes en Romeinse machthebbers. Pontius Pilatus was de bekendste. En ongeveer 50 jaar later kwamen de joodse gebieden onder gezag van Syrië.

Hoewel de Romeinen het in deze periode voor het zeggen hadden in het joodse land, bleef de herinnering aan de onafhankelijke staat springlevend. De nakomelingen van Herodes en de Romeinse overheersers waren over het algemeen dan ook niet erg geliefd. Omgekeerd hielden de heersers niet veel rekening met zaken die voor joden op grond van de Heilige Geschriften en godsdienstige tradities gevoelig lagen.

Na een overwinning op een onderdeel van de Romeinse bezettingsmacht kwam het in 66 na Christus tot een explosie en brak de Joodse Oorlog uit. Het relatief ongeorganiseerde en innerlijk verdeelde verzet werd echter geconfronteerd met de Romeinse overmacht. Onder leiding van Vespasianus en later nadat Vespasianus in 69 keizer was geworden, zijn zoon Titus Flavius. De Romeinen sloegen ongenadig toe: Onderweg naar Jeruzalem brandden ze alles plat. De Romeinen verwoestten de Tempel van Jeruzalem en stalen volgens sommige verslagen kunstschatten uit de tempel.

Joden die niet in Judea bleven, weken veelal uit naar veiliger oorden, onder meer naar de joodse gemeenschap in Babylonië. Ook waren veel joodse krijgsgevangenen door de Romeinen als slaven verkocht.

Dit is de traditionele verklaring voor de diaspora. Nochtans was een meerderheid van de joden in de oudheid waarschijnlijk nakomeling van mensen in de steden van de Grieks-Romeinse wereld, vooral in Alexandrië en Klein-Azië. Ook de joodse gemeenschap in Babylonië bestond al veel langer en stamde af van joden die daar na de Babylonische ballingschap waren blijven wonen.

Vóór de Joodse Opstand, 66-73 na Christus, oefende de joodse godsdienst aantrekkingskracht uit op velen in de Griekse beschaving, mede vanwege de hoge morele standaard. Ook in het Nieuwe Testament wordt gerefereerd aan heidenen die zich tot het jodendom bekeerd hadden. Volgens sommige schattingen zou in de eerste eeuw ongeveer 10% van de bevolking van het Romeinse Rijk tot de joodse religie behoord hebben. Na de Joodse Opstand hadden joden echter een slechte naam in het Romeinse Rijk en waren er nog maar zeer weinig niet-joden die ervoor kozen zich tot het jodendom te bekeren.

Rabbijnen die de Joodse Opstand van 70 na Christus hadden overleefd, begonnen al snel in Jabne en later ook in Tiberias scholen op te zetten, waarin zij het jodendom opnieuw gingen overdenken. Zij gaven daarmee vorm aan een nieuwe fase in het jodendom, wat nodig was omdat er nu geen tempel meer was. Ook verzamelden zij de farizese tradities, die tot dan toe mondeling waren doorgegeven. Van blijvend belang voor het jodendom was de ontwikkeling van de interpretaties van de Thora, de joodse Heilige Geschriften, die in de Misjna op schrift zijn gesteld in ongeveer 200 na Christus en die de basis vormden voor de latere Talmoed.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s