Biologische benadering 1


Lichaam en geest

De Franse filosoof Descartes uit de 17e eeuw ging uit van het volgende:

‘Cogito, ergo sum’, ‘Ik denk, dus ik ben’.

Maar naast de onstoffelijke geest hebben we ook het stoffelijke lichaam en hoe verhouden die 2 zich tot elkaar?

Volgens Descarte kan het lichaam gezien worden als een soort van machine en is er een wisselwerking tussen lichaam en geest. Beide worden dan gezien als afzonderlijke eenheden.

Een scheiding tussen lichaam en geest; deze opvatting wordt dualisme genoemd.

Dualisme, de opvatting dat lichaam en geest 2 afzonderlijke eenheden zijn

Monisme, de opvatting dat lichaam en geest een eenheid vormen

Deze opvatting ligt in de lijn van het materialisme.

Materialisme, de opvatting dat al ons gedrag een fysiologische basis heeft

Een van de pijlers van de biologische benadering, die de mens als een biologische organisme opvat. Wat we denken en wat we doen is gebaseerd op onze fysiologische structuur. Een biologisch psycholoog ziet al ons gedrag als zuiver fysiek.

Erfelijkheid, de biologische overdracht van eigenschappen/kenmerken van de ene generatie op de andere

De andere pijler waarop de biologische benadering rust.


De wisselwerking tussen lichaam en geest in ons gedrag

Als we het hebben over de invloed van het lichaam op de geest, dan hebben we het over de veranderingen in het lichaam die invloed hebben op onze geest en gedrag. Het gaat om een breed scala van effecten.

Hier gaan we kijken naar verschijnselen die ons het een en ander duidelijk maken over de grondslagen van ons gedrag: De effecten van koffie, drugs, medicijnen en andere werkzame stoffen.


Het onderzoek naar de effecten van chemische stoffen

Drugs zijn lichaamsvreemde chemische stoffen. Een chemische stof kan lichaamsvreemd zijn, maar ook de wijze van toediening kan lichaamsvreemd zijn (bijvoorbeeld: adrenaline is een hormoon, maar kan ook als drug geïnjecteerd worden).

Niet alle chemische stoffen hebben merkbare effecten. Penicilline bijvoorbeeld heeft niet direct invloed op hoe we doen.

Psychofarmacologie, wetenschap die zich bezig houdt met het onderzoek naar de effecten van psychoactieve stoffen

Psychoactieve stof, chemische stof die een merkbaar effect heeft op ons gedrag of onze gemoedstoestand

Men onderzoekt proactieve middelen om te bepalen welke effecten ze op het gedrag uitoefenen, op onze alertheid, stemming, waarneming, ons reactievermogen en ons geheugen. Naast het verwerven van inzicht in gedragsveranderingen, willen we ook weten hoe de psychoactieve stof in ons lichaam werkt.

Zo is duidelijk geworden dat vrijwel alle psychoactieve stoffen de communicatie tussen de neuronen beïnvloeden.

Neuron, cel van ons zenuwstelsel (zenuwcel)

Neuronen kunnen elektrochemische boodschappen overbrengen. Een neuron die contact maakt met een andere neuron  doet dat op een verbindingspunt die synaps wordt genoemd. Neuronen raken elkaar niet. Tussen neuronen is er een ruimte: de synaptische spleet.

Synaps, verbindingspunt tussen 2 neuronen (de synaptische spleet)

De communicatie tussen neuronen wordt bepaald door neurotransmitters. Deze chemische boodschappers gaan via de spleet naar de receptoren van het volgende neuron. De relatie tussen de receptor en de neurotransmitter is die van slot en sleutel. Alleen een bepaalde vorm van een transmittermolecuul past in een bepaalde receptor.

Neurotransmitters, chemische boodschappers die de communicatie tussen neuronen verzorgen

Deze slot-en-sleutelmetafoor gaat op voor alle neurotransmitters en psychoactieve stoffen en vormde de basis voor voor een van de belangrijkste ontdekkingen van de psychofarmacologie, de endorfinen.

Uit onderzoek met opiaten (opium, morfine en heroïne) kwam naar voren dat er wellicht een receptor bestond die door opiaten geactiveerd wordt. In de hersenen van de mens bleken deze receptoren inderdaad aanwezig.

Ze werden bovendien ook bij veel andere levende soorten aangetroffen. Zelfs bij een vissoort die de laatste 350 miljoen jaar niet veranderd is. Waarom zou een 350 miljoen jaar oude vis receptoren hebben voor een van de papaver afkomstige chemische stof? Het enige antwoord is: Er moet in de hersenen van nature een overeenkomstige chemische stof aanwezig zijn.

Dat leidde tot de veronderstelling dat ons lichaam zijn eigen pijnstillers produceert. En die veronderstelling bleek te kloppen.

De endorfinen worden door zenuwcellen in bepaalde hersengebieden geproduceerd. Het zijn kleine eiwithormonen. (Endorfine is een samentrekking van endogene – natuurlijk optredende – morfine.)

Endorfinen, door zenuwcellen geproduceerde eiwithormonen die een belangrijke rol spelen bij pijnbeleving en gemoedstoestanden

We kunnen psychoactieve stoffen onderverdelen in stimulerende en depresserende stoffen.

Cafeïne (komt voor in koffie, thee, cola en chocoladerepen), nicotine en amfetamine zijn stimulerende middelen: vermoeidheid en hongergevoelens nemen af, lichamelijke activiteit en alertheid nemen toe, de stemming vertoont een tijdelijke stijging. Het lichaam ontwikkelt echter tolerantie voor deze stoffen, de dosering moet steeds verhoogd worden om hetzelfde effect te bereiken. Verslavend.

Alcohol en barbituraten zijn de stoffen met een depresserend effect op het zenuwstelsel.

‘Psychologen bestuderen gedrag, en gedrag is iets van het lichaam. Daarom kun je gedrag niet begrijpen zonder naar de werking van het lichaam te kijken. En daarom kan de psychologie voor een aantal zaken niet zonder fysiologie’ (Slangen 1992, p. 362).

Op het gebied van psychofarmacologie wordt de wisselwerking tussen zenuwstelsel en gedrag duidelijk zichtbaar. Je dient wat toe, een farmacon en het gedrag verandert.

Farmacon, middel dat langs chemische weg de werking van het zenuwstelsel verandert


Verder naar deel 2 , deel 3 of terug naar Stromingen in de psychologie