Porfoto Sranan Tongo

De taal die we hier hanteren is de Surinaamse taal die in Rotterdam gebezigd wordt. In mijn kinderjaren, de jaren ’70 van de vorige eeuw heette de taal Nenggre, ook wel neger-Engels. De taal die mij verbond met andere mensen en kinderen met een Surinaamse achtergrond. Tegenwoordig schept deze en band tussen, mij Suriname en de Surinamers. Tegenwoordig heet de taal Sranan Tongo, een benaming die ik voor het eerst halverwege jaren ’80 hoorde tijdens een spreekbeurt in de klas.

Spelling

Om te beginnen: Ik ben eigenwijs, stronteigenwijs. Waar ik nu aan begin is Sranan Tong maar niet zomaar Sranan Tongo, dit is Porfoto Sranan Tongo. De spelling zal hier en daar wat anders zijn dan wat je bekend bent tegen te komen maar uiteindelijk zal het allemaal logisch en consistent zijn. Een belofte.

A

  • a – de, het, een (lidwoord)
  • abi – bezit
  • abrasey – overkant
  • ala – alle
  • alamala – allemaal
  • alasani – alles
  • asi – paard
  • asisi – hasj
  • ati – 1. hoed, pet; 2. hart

B

  • baka – 1. rug; 2. terug; 3. na(dat)
  • bakana – namiddag
  • baki – bak
  • bakra – blanke Nederlander
  • basi – baas
  • batra – fles
  • bere – 1. buik; 2. orgaanvlees
  • beri – begrafenis
  • berpe – begraafplaats
  • bigi – groot
  • biri – bier
  • bonyo – bot, gebeente
  • bori – crack
  • bos – leeglopen (van bijv. een fietsband)
  • boto – boot
  • botro – boter
  • brada – 1. broer; 2. broeder
  • brasa – omhelzing
  • brede – brood
  • breni – blind
  • brudu – 1. bloed; 2. bloeden
  • burki – ezel
  • busi – bos
  • butri – keuken

D

  • dalijk – straks
    • Mo naky dalijk. – Ik ga je (straks) slaan (als je zo doorgaat.)
      • Mi o nak yu dalijk.
      • Mi go naki yu dalijk.
  • dape – daar, daarginds
  • datra – dokter
  • dede – dood (zijn)
  • dem (uitspr.: ding) – 1. de (meervoud); 2. zij (meervoud)
    • Dem kon. – Ze komen.
    • Do kon. – Ze zullen komen.
      • Dem go kon.
    • Dem bem kon. – Ze zijn gekomen (maar zijn er niet meer!).
    • Dem bem’ kon. – Ze hadden moeten komen.
      • Dem bem mus fu kon.
      • Dem bem musu fu kon.
  • dey – dag
  • didibri – duivel
  • diri – duur (prijs)
  • disi – deze
  • dom – dom (zijn)
  • doro – 1. deur; 2. aankomen, arriveren
  • doti – 1. huisvuil; 2. vies, vuil (uitzien)
  • drem – droom
  • dresi – medicijn
  • drey – droog (zijn)
  • dringi – drinken
  • dron – drums
  • drungu – dronken (zijn)

E

  • ede – hoofd
  • esi – gauw
  • ete – nog steeds

F

  • fatu – 1. dik (zijn); 2. grap, mop
  • fesi – 1. gezicht, gelaat; 2. voor (plaatsaanduiding)
    • A ab wan mooi fesi. – Hij/Zij heeft een mooi gezicht.
    • A tnap fes mofo doro. – Hij/Zij staat voor de deur.
      • Ae tnapu fes mofo doro.
      • A de tanapu fesi mofo doro.
  • fosi – eerder
  • fos tem – vroeger
  • fos tron – eerste keer
  • fufurman – 1. dief; 2. fraudeur
    • fufuruman

Werkwoorden

  • fu abi – hebben
  • fu abra – oversteken
  • fu aksi – vragen
  • fu arki – luisteren
  • fu baka – bakken
  • fu bari – schreeuwen
  • fu bay – kopen
  • fu beni – een bocht maken
  • fu beri – 1. begraven; 2. inwrijven (figuurlijk)
  • fu bigin – beginnen
  • fu bori – koken
  • fu bosi – kussen
  • fu brasa – omhelzen
  • fu broko – 1. breken; 2. slopen; 3. kapot maken
  • fu de – zijn
  • fu diki – 1. graven; 2. ongewenst dingen uit zoeken
  • fu don – liggen
  • fu drem – dromen
  • fu drey – (uit)drogen
  • fu dringi – drinken
  • fu du – doen
  • fu frey – vliegen
  • fu fri – bevrijden
  • fu fufuru – 1. stelen; 2. oneerlijk spelen
  • fu hari – trekken
  • fu ka – 1. schijten; 2. de pijp uitgaan
  • fu kanti – 1. inschenken; 2. kantelen; 3. kapseizen
  • fu kari – 1. roepen; 2. noemen
  • fu kon – komen
  • fu konkru – verklikken
  • fu kosi – grote mond geven
  • fu koso – hoesten
  • fu meki – maken
  • fu naki – slaan
  • fu nyan – eten
  • fu opo – 1. opstaan; 2. optillen; 3. openen; open (zijn)
  • fu panya – aan gruzelementen gaan
  • fu pley – spelen
  • fu pusu – duwen
  • fu sdon – zitten
  • fu seki – schudden
  • fu sori – 1. laten zien, tonen; 2. eruitzien
  • fu teki – nemen
  • fu tron – worden
  • fu waka – lopen
  • fu wasi – wassen
  • fu wiki – wakker worden
  • fu winsi – wensen
  • fu wroko – werken
  • fu yuru – huren

G

  • Gado – God
  • grani – bejaard
  • granma – grootmoeder, oma
  • granpa – grootvader, opa
  • grasi – glas
  • gridi – gierig (zijn)
  • griti
  • gudu – 1. schat, 2. rijk (zijn)

H

  • hati – pijn hebben
  • hatoso (met een stomme h) – ziekenhuis
  • hondro – honderd

I

  • ibri – iedere, elke

J

  • ja – hier
  • jari (uitspr.: djarie) – tuin
    • A de na jari. – Hij/Zij/Het is in de tuin.
    • Dem man de na baka jari. – De mannen zijn in de achtertuin.

K

  • kaolo – anus
  • kari – roep
  • kasi – 1. kast; 2. kaas
  • keskesi – aap
  • kondre – land (staatsvorm)
  • kondreman – landgenoot
  • kosi – grote mond (figuurlijk)
  • krutu – 1. vergadering; 2. klagen(; 3. gaat altijd over recht en rechtvaardigheid)
  • krutu bakra – rechter
  • kukru – keuken

O

  • odi – groet
  • omu – oom
  • oso – huis
  • otem – wanneer

P

  • pasi – weg (zelfst. naamwoord)
  • panpan – kut (geslachtsdeel)
  • pay – betaling
  • payman – financiële schuld
  • pe – 1. waar (plaatsaanduiding); 2. plaats
  • perki – pil
  • pima – kut (geslachtsdeel)
  • pina – armoe lijden
  • pkin (uitspr.: ptjieng), afgeleid van pikin (uitspr.: piekien, pietjieng) – 1. kind, 2. klein
  • planga – 1. plank; 2. bril
  • potiman – armoedzaaier
  • potmoni – portemonnee
  • prakseri – peinzen
  • presi – plaats
  • preti – bord (om mee te eten)
  • ptata – 1. aardappel; 2. Nederlander

S

  • sabi – weten
  • sabiman – deskundige
  • saka – zak
  • san – wat
  • sani – 1. ding, dingen; 2. iets
  • sari – medelijden hebben
  • sekrepatu – schildpad
  • siki – 1. ziekte; 2. ziek (zijn)
  • skoro – school
  • sma, suma – 1. iemand; 2. wie; 3. vrouw (afk. umasma)
  • soleysi – zo nu en dan
  • sondro – zonder
  • sori – 1. laten zien; 2. (aan)wijzen
  • soso – alleen maar
  • spikri – 1. spijker; 2. spiegel
  • sukru – 1. suiker; 2. zoet (van smaak)

T

  • te – 1. thee; 2. als
  • teleki – totdat
  • tey – touw
  • tori – verhaal
  • tranga – 1. sterk; 2. hard
  • tron – (in ene) keer
  • tru – op waarheid berust

W

  • wan – een (getal)
  • wani – willen
  • watra – water
  • watramama – zeemeermin
  • wasi – was
  • weri – 1. moe (zijn), 2. vermoeiend (zijn)
  • weti – wit
  • wini – winnen
  • winti – 1. wind; 2. bezetenheid
  • winsi – wens
  • wipi – zweep
  • wiri – 1. haar; 1. bladeren; 3. wiet
  • wisi
  • woron – worm
  • wortu – woord
  • woyo – markt
  • wroko – werk

Y

  • yari (uitspr.: jarie) – jaar
  • yongo – jong
  • yu – jij, jouw
  • yuru – uur

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s